| Aantekeningen |
- Franchoos de ROECK
Franciscus De Roock
meisenier: getuige: Joos WAGEMANS en PEETER MATTENS, neven
bron: Jan Lindemans: Van Meiseniersbloed, VVF Brabant, 1998.
Wat is een meisenier ?
'Meisenier' is een rechtsterm waarmee in het Hertogdom Brabant een bevoorrechte stand van landlieden aangeduid werd, best te vergelijken met de poorters van een stad. Hun privilegies omvatten o.m. de vrijstelling van de "Dode Hand" en het recht van alleen gevonnisd te mogen worden voor de eigen schepenbank, waar het aangeklaagde misdrijf ook moge gebeurd zijn. Aan deze erfelijke voorrechten werd tot in de 16de eeuw groot belang gehecht. Naarmate iedereen "gelijker" werd, verwaterde het meiseniersstatuut. Toch, en hier kan men van opkijken, kwam men generatie na generatie, tot op het einde van het Ancien Régime, naar de schepenbank van Grimbergen. Soms van erg ver weg. Het "Meisenier" zijn, had een zeker prestige dat ons nu waarschijnlijk ontgaat. Het woord zou afgeleid zijn uit "mansionarius", de houder en bewoner van een "mansio", een belangrijk domein met hofstede; dit in tegenstelling tot de "kossaat" (cassatus) die in een "casa" (hut) woont. Het staat vast dat de term geen verband houdt met de gemeente Meise. Het erfelijk statuut van meiseniersschap deed vroeger enkelen ten onrechte veronderstellen dat de meiseniers edellieden waren.
|